About
Leerspreuken over Karma
De volgende leerspreuken, te zamen met andere, waarvan nu nog geen gebruik zal worden gemaakt, werden mij gegeven door leermeesters van wie H.P.B. er een was. Sommige werden neergeschreven, sommige langs andere weg medegedeeld. Mij werd gezegd, dat zij stamden uit handschriften, die nu niet voor het gewone publiek toegankelijk zijn. Elk werd mij voorgelegd, opdat ik ze aan mijn oordeel en verstand zou toetsen. En evenals zij, onafhankelijk van alle gezag, mij juist leken, nadat ik ze ernstig had overwogen, hoop ik, dat zij ook de goedkeurig zullen wegdragen van mijn medewerkers, voor wie ik ze thans openbaar maak.

W.Q.Judge

1. Karma bestaat alleen, wanneer er een wezen is, dat het teweeg brengt of dat er de gevolgen van ondervindt.

2. Karma is het herstellen van evenwicht door gevolgen die voortvloeien uit oorzaken waarbij het wezen, op wie en door wie dat herstellen plaats grijpt, vreugde of smart ondervindt.

3. Karma is de onwrikbare en onfeilbare neiging in het heelal om evenwicht te herstellen en deze neiging is onophoudelijk werkzaam.

4. Wanneer dit herstel van evenwicht ogenschijnlijk ophoudt, komt dit doordat op een ander punt, in een andere plaats of brandpunt, een stoornis, die alleen zichtbaar is voor een yogi, een wijze of een volmaakt ontwikkeld ziener, noodzakelijkerwijs moet opgeheven worden ; dus is er geen ophouden maar slechts een verborgen zijn.

5. Karma beïnvloedt alle dingen en wezens, vanaf het kleinst mogelijke atoom tot aan Brahmâ. Daar het werkt in drie werelden, van mensen, goden en elementale wezens, is er geen enkel punt in het geopenbaarde heelal, dat buiten zijn heerschappij valt.

6. Karma is niet aan tijd onderworpen en hij alleen kent Karma, die de uiteindelijke tijdsindeling in dit heelal kent.

7. Voor alle andere mensen is Karma in zijn essentiële aard onbekend en onkenbaar.

8. Maar zijn werking wordt begrijpelijk door berekening van oorzaak tot gevolg en deze berekening is mogelijk, omdat het gevolg besloten ligt in de oorzaak en er niet voor in de plaats treedt.

9. Het Karma van deze aarde is de combinatie van de handelingen en gedachten van alle wezens van iedere graad van ontwikkeling, die deel uitmaken van de voorafgaande Manvantara, dat is die stroom van evolutie, waaruit de onze   voortvloeit.

10. En daar er onder deze wezens zowel dragers zijn van     geestelijke macht en heiligen, als ook zwakke en slechte mensen, duurt het bestaan van de aarde langer dan dat van einig wezen of ras, dat haar bewoont.

11. Daar het Karma van deze aarde en van de rassen, die haar bewonen, zich te ver in het verleden uitstrekt, dan dat het menselijke verstand tot het begin ervan zou kunnen doordringen, is een onderzoek naar dat begin nutteloos en waardeloos.

12. Karmische oorzaken, die reeds in beweging zijn gezet, moeten hun verloop hebben tot dat zij uitgeput zijn ; dit wil echter niet zeggen, dat men verantwoord is hulp te weigeren aan zijn medemensen en aan alle andere voelende wezens.

13. De gevolgen kunnen tegengewerkt of verminderd worden door de gedachten en handelingen van onszelf of van een ander ; en de gevolgen hieruit ontstaan vertegenwoordigen de samenstelling en de invloed onderling van al de oorzaken, die hebben bijgedragen tot het voortbrengen van deze gevolgen.

14. In het bestaan van werelden, rassen, volken en individuen kan Karma niet werken, tenzij er een geschikt werktuig voor aanwezig is.

15. En totdat zo'n geschikt werktuig gevonden wordt, blijft het daaraan verbonden Karma onwerkzaam.
16. Terwijl iemand Karma ondergaat in het daarvoor geschikte werktuig, wordt zijn overige Karma niet door andere wezens of middelen uitgewerkt, maar blijft in reserve voor de toekomst ; en de tussenpoos, waarin de werking van dat Karma niet gevoeld wordt, brengt geen verzwakking van zijn kracht of verandering van zijn aard teweeg.
17. De geschiktheid van een instrument voor de werking van Karma ligt in de zuivere aanpassing en verhouding van het Karma tot het lichaam, het denkvermogen, de intellectuele en psychische natuur, die het Ego voor zijn gebruik in dat leven verworven heeft.

18. Elk werktuig gebruikt door enig Ego in enig leven past bij het Karma, dat er door werkt.

19. Veranderingen kunnen voorkomen in het werktuig gedurende één leven, waardoor het geschikt wordt voor een nieuw soort Karma en dit kan op twee manieren gebeuren : a. door intensief denken en door de macht van een gelofte ; b. door natuurlijke veranderingen tengevolge van een volkomen uitputting van oude oorzaken.

20. Daar lichaam, denkvermogen en ziel elk op zichzelf de macht van onafhankelijk handelen bezit, kunnen door elk hiervan, onafhankelijk van de andere twee, karmische oorzaken uitgeput raken, oorzaken verder verwijderd van - of nader tot - het tijdstip van hun begin dan die welke door andere kanalen een uitwerking vinden.

21. Karma is zowel mededogend als rechtvaardig. Mededogen en rechtvaardigheid zijn slecht tegenovergestelde polen van één geheel en mededogen zonder rechtvaardigheid is niet mogelijk in de werking van Karma. Wat de mens mededogen en rechtvaardigheid noemt, is gebrekkig, dwalend en onzuiver.

22. Er bestaan drie soorten Karma : a. nu in dit leven werkende door middel van de geschikte werktuigen ; b. dat, wat nu gemaakt of opgestapeld wordt om in de toekomst uitgewerkt te worden ; c. Karma overgebleven van een vorig leven of vorige levens en nog niet in werking, omdat het verhinderd wordt of door ongeschiktheid van het instrument, dat het Ego gebruikt, of door de kracht van het nu werkende Karma.

23. Voor ieder wezen vindt Karma drie gebieden van actie : a.het lichaam en de omstandigheden ; b. het denkvermogen en het intellect ; c. de psychische en de astrale gebieden.

24. Karma overgehouden uit het verleden, of Karma van dit leven, kan ieder afzonderlijk of kunnen allebei en te zamen tegelijk werken in alle drie gebieden van Karmische actie ; of er kan op ieder gebied een soort Karma werken, verschillend van dat, wat zich op dat tijdstip uit op de andere gebieden.

25. Het geboren worden in een zeker soort lichaam en het oogsten van zekere soorten Karma is het gevolg van de Karmische neiging, die dan overwegend is.

26. De macht van een Karmische neiging zal het incarneren van een Ego of een familiegroep van Ego's minstens drie levens lang beïnvloeden, indien geen maatregelen genomen worden om dit te onderdrukken, te verdrijven of tegen te gaan.

27. Maatregelen door een Ego genomen om een neiging te onderdrukken, gebreken uit te roeien en tegen te gaan door het scheppen van andere oorzaken, zullen de macht van de Karmische neiging veranderen en haar invloed verkorten, overeenkomstig de kracht of zwakte van de pogingen, gedaan om die maatregelen uit te voeren.

28. Niemand behalve een wijze of een ware ziener kan het Karma van een ander beoordelen. Hoewel dus ieder ontvangt wat hem toekomt, kan uiterlijke schijn bedriegen ; arm geboren worden of zware moeilijkheden ondergaan behoeft niet straf voor slecht Karma te zijn, want Ego's incarneren voortdurend in armelijke omgevingen, waar zij moeilijkheden en beproevingen ondervinden, bestemd om hun tucht te leren en daardoor in hen kracht, vastberadenheid en medegevoel te ontwikkelen.

29. Ras-Karma beïnvloedt elk individu in een ras door de wet van verdeling. Nationaal Karma werkt in op al diegenen, die deel uitmaken van het volk, door dezelfde wet maar meer geconcentreerd. Familie-Karma doet zich alleen in een volk gelden waarin families zuiver gehouden en sterk afgetekend zijn ; want in elk volk, waar dit niet het geval is - wat altijd voorkomt in het tijdperk Kaliyuga genaamd - wordt het familie-Karma gewoonlijk over een volk verspreid. Maar zelfs in zulke tijdperken blijven sommige families gedurende lange perioden een geheel vormen en dan voelen de leden ervan de invloed van familie-Karma. Het woord “familie” kan verscheidene kleinere families omvatten.

30. Karma brengt natuurrampen teweeg door aaneengeschakelde werking op het mentale en het astrale gebied. Een natuurramp kan teruggebracht worden tot een rechtstreekse stoffelijke oorzaak, zoals inwendig vuur en atmosferische verstoring, maar deze zijn voortgebracht door verstoring, veroorzaakt door de dynamsiche kracht van de gedachten van de mens.

31. Ego's, die niet Karmisch verwant zijn met dat gedeelte van de aarde, waar een ramp zal komen, worden op twee manieren buiten de invloed ervan gehouden : a. door afkeer, inwerkend op hun innerlijke natuur en b. doordat zij geroepen en gewaarschuwd worden door hen, die over de vooruitgang van de wereld waken.
Home
Publicaties
Over ons
Geünieerde Loge van Theosofen - Antwerpen
GLT Antwerpen. Frans Van Heymbeecklaan 6 - 2100 Deurne
E-mail : theosofie@skynet.be